donderdag, 28. augustus 2008 - 14:11

'Vader grootste boosdoender probleemdrinker'

Nijmegen

Als jongeren voor hun 13e gaan drinken dan heeft dat meer te maken met hun genetische aanleg voor drinken dan met omgevingsinvloeden. Voor jongens is dit genetisch effect nog wat sterker dan voor meisjes.

Als jongeren in de leeftijd van 12 tot 15 jaar eenmaal begonnen zijn met drinken, dan is er geen verband meer tussen genetische aanleg en frequentie van drinken. Dan is de omgeving en vooral het alcoholgebruik van ouders en vrienden bepalend voor hoe vaak en hoeveel ze drinken.

Dit blijkt uit een onderzoek van Evelien Poelen aan de Radboud Universiteit Nijmegen.Tot nu toe werd altijd aangenomen dat de omgeving omgevingsfactoren de belangrijkste rol spelen bij het vroeg beginnen met drinken. Van Poelen is de eerste die aantoont dat genetische invloed een grotere rol speelt dan omgevingsfactoren.

De onderzoekster had voor haar studie toegang tot een gegevens-verzameling van de VU over enkele duizenden tweelingen in de leeftijd van 12 tot 25 jaar. Door de gegevens van genetisch dezelfde (eeneiige) en genetisch voor de helft dezelfde (twee-eiige) tweelingen met elkaar te vergelijken, kon Poelen specifiek kijken naar de genetische invloed.

Daaruit bleek dat als jongeren vroeg gingen drinken dit vaker en gelijktijdig voorkwam bij eeneiige, dus genetisch identieke tweelingen, dan bij twee-eiige tweelingen, die slechts voor de helft dezelfde genen delen.Uit de gegevens van Poelen blijkt dat zo’n 30 procent van de jongeren voor hun 13e wel eens alcohol heeft gedronken.

Van de jongeren tussen de 12 en 15 jaar drinkt 16 tot 29 procent van de jongens en een iets lager percentage van de meisjes regelmatig alcohol. 16 tot 33 procent van de mannen en 5 tot 10 procent van de vrouwen in de leeftijd van 16 tot 25 jaar is probleemdrinker. Dit zijn relatief hoge percentages in vergelijking met andere westerse landen.

Uit eerder onderzoek was al bekend dat de omgeving, en dan vooral het gedrag van ouders en vrienden, van invloed is op het alcoholgebruik van jongeren. Dit onderzoek toont nog eens onomstotelijk aan dat het drinkgedrag van ouders en vrienden voorspellend is voor het regelmatig drinken (een aantal keer per maand en vaker) en voor het probleemdrinken (minstens 11 glazen per week).

Kinderen die regelmatig drinken, hebben ouders die zelf ook vaker drinken. Datzelfde geldt voor vrienden. De invloed van broers en zussen naast de tweelingbroer of -zus in het gezin is minder sterk.

Verder vond Poelen dat de rol van vrienden vooral op de korte termijn groot was. Ze denkt dat dit komt doordat veel jongeren in die periode ook weer nieuwe vrienden hebben gekregen.

Belangrijke voorspeller van probleemdrinken is het drinkgedrag van de vader. Probleemdrinkende jongeren hebben vaker een vader die meerdere keren per week drinkt.
Categorie:
Tag(s):